Passend onderwijs: besturen zijn druk met de governance-structuur, in de praktijk zoekt het veld de verbinding 

Wie kan erop tegen zijn dat leerlingen in hun eigen omgeving en met passende ondersteuning onderwijs kunnen genieten? En dat als het echt niet past, er een (nog) meer gespecialiseerde setting voorhanden is? Zo ingewikkeld is het toch niet om dit met elkaar na te streven? Dat de politiek heeft besloten dit door middel van een lumpsum te doen, is een gegeven. En zo zijn we binnen de samenwerkingsverbanden aan de slag gegaan met een lumpsum en een (landelijke) verevening, in positieve of negatieve zin en met meer of minder geld, maar dit alles met de focus op ‘passend onderwijs’.

Toch zijn (nagenoeg) alle samenwerkingsverbanden bezig met de governance-structuur als we de publicaties van de laatste tijd mogen geloven. Wie ziet toe op wie? En wie wordt waarop aangesproken? Pittige discussies of prettige dialogen worden hierover gevoerd. Er valt namelijk veel over te zeggen; vooral analytisch en bijna nooit oplossingsgericht. Gelukkig is maatwerk mogelijk, omdat samenwerkingsverbanden zelf hun structuur mogen kiezen. En die structuur bevalt vaak niet als het even ‘tegenzit’.

Een andere observatie: ik hoor regelmatig dat passend onderwijs op de werkvloer best lukt. Met ‘best’ bedoel ik dat de werkers in het veld elkaar steeds gemakkelijker weten te vinden. Schooldirecteuren in het PO, VO en (V)SO verbinden steeds gemakkelijker; hetzelfde is zichtbaar op het niveau van interne begeleiding. En zijn dus mooie voorbeelden genoeg die laten zien dat passend onderwijs in de dagelijkse praktijk werkt. Je hebt elkaar nodig; muurtjes worden dan geslecht om passend te kunnen organiseren voor een leerling of voor een groep leerlingen. Nood breekt wet! Een leerling laat je niet in de kou staan. Hier is sprake van gedreven of bedreven mensenwerk.

Blijkbaar speelt passend onderwijs zich in twee werelden af. De wereld van de bestuurders, waarin de structuur centraal staat, waar schoolbestuurlijke autonomie en de samenwerkingsgedachte met bijbehorende verplichtingen binnen het samenwerkingsverband worden besproken en waar ruim de tijd voor wordt genomen. En de wereld van de ‘veldwerkers‘ die zelf de verbinding zoeken door gewoon de telefoon te pakken. Er is geen tijd te verliezen. Wie heb ik nu nodig om het voor deze leerling passend te maken?

Ik durf te beweren dat alle (bestuurlijke) governance-structuren werken. Er is goed over de structuur nagedacht en er zijn mooie besluiten genomen. De vraag is echter: hoe is de cultuur binnen het samenwerkingsverband? Wie geeft wie de ruimte? Wie heeft vertrouwen in wie? Wie durft zich kwetsbaar op te stellen? Bij elke structuur zijn deze vragen te stellen. De wijze waarop deze vragen beantwoord kunnen worden, bepaalt de ‘kwaliteit’ van een samenwerkingsverband.

Een samenwerkingsverband voor passend onderwijs is een samenspel van schoolbesturen. Door de schoolbestuurlijke autonomie leunt dat samenspel op onderwijsbestuurders met een duidelijke visie op passend onderwijs, die begrijpen dat deze opdracht niet alleen kan worden uitgevoerd en dat het echte werk niet aan de bestuurstafel plaatsvindt. Maar het gaat ook over het organiseren van een samenwerkingscultuur die professionele ruimte biedt aan de werkers die alle dagen in het veld staan. Zij maken tenslotte het verschil door middel van het maatwerk dat een leerling nodig heeft. Dat is de kern van passend besturen. Zeker een mooie (school)bestuurlijke opdracht!